BFCRS

De Bush-Francis Catatonia Rating Scale

Katatonie heeft veel verschillende kenmerken waaraan de ziekte kan worden herkend. De Bush-Francis Catatonia Rating Scale (BFCRS) is een hulpmiddel om de ernst van de verschillende symptomen van katatonie te meten.

Door een arts of verpleegkundige wordt een aantal testen gedaan en een aantal vragen gesteld. Op 23 onderdelen wordt een score tussen 0 en 3 gegeven, waarna dit wordt opgeteld tot de volledige score. Deze score geeft de ernst van katatonie aan. Op basis van de score zal de arts de behandeling bepalen.

Klik op deze link voor de Nederlandse versie van de BFCRS.

BFCRS

BUSH-FRANCIS CATATONIA RATING SCALE

*De wijze van scoren voor deze vragenlijst is aangepast voor het Laborit onderzoek, de originele versie van de BFCRS kunt u vinden in de link hierboven.

Om de onderdelen echopraxie/echolalie, stereotypie, maniërismen, verbigeratie, negativisme, impulsiviteit en automatische gehoorzaamheid te kunnen beantwoorden is het bij deze (aangepaste) versie van de BFCRS noodzakelijk om de patiënt gedurende de dienst 4 maal te observeren, en waar nodig vragen te stellen of te onderzoeken.

De frequentie die gemeten wordt is afhankelijk van de hoeveelheid observaties waarbij het beschreven gedrag gezien wordt.

Zie overige instructie voor het afnemen van de vragenlijst onder de score tabel.

1. Opwinding
Extreme hyperactiviteit, niet aflatende en schijnbaar doelloze motorische onrust. Niet toe te schrijven aan akathisie of doelgerichte agitatie.
2. Immobiliteit/stupor
Extreme hypoactiviteit, onbeweeglijk, reageert nauwelijks op stimuli.
3. Mutisme
Reageert verbaal niet of alleen zeer beperkt.
4. Staren
Aanhoudende, starende blik, weinig of geen visuele verkenning van de omgeving, verminderd oogknipperen.
5. Houding/katalepsie
Houdt spontaan (een) houding(en) aan, inclusief alledaagse houdingen, blijft bijv. lange tijd achtereen zitten of staan zonder te reageren.
6. Grimassen
Het aanhouden van eigenaardige gelaatsuitdrukkingen.
7. Echopraxie/echolalie
Het nabootsen van de bewegingen of spraak van de onderzoek(st)er.
8. Stereotypie
Repetitieve, niet doelgerichte motorische activiteit (o.a. vingerspel, zichzelf herhaaldelijk aanraken, klopjes geven of wrijven) waarbij de afwijking niet de beweging zelf is als wel de frequentie waarin deze wordt uitgevoerd.
9. Maniërismen
Eigenaardige, doelgerichte bewegingen (huppelen, op de tenen lopen, voorbijgangers groeten/salueren of overdreven karikaturen van banale bewegingen) waarbij de afwijking de activiteit zelf is.
10. Verbigeratie
Het herhalen van zinsneden of zinnen (zoals bij een haperende grammofoonplaat).
11. Rigiditeit
Het volharden in een verstijfde houding ondanks inspanningen om de patiënt te laten bewegen, uit te sluiten indien het tandradfenomeen (‘cogwheeling’) of tremor aanwezig is.
12. Negativisme
Schijnbaar ongefundeerde weerstand tegen instructies of pogingen om de patiënt te bewegen/onderzoeken. => Tegendraads gedrag, doet precies het tegenovergestelde van wat gevraagd wordt. Dit is te toetsen door een aantal vragen achter elkaar te stellen, bijvoorbeeld: schud mijn hand, til je arm op, wijs naar de deur, maak een vuist. Wanneer iemand compleet immobiel is, is negativisme te toetsen door te pogen de ogen van de patiënt te openen.
13. Wasachtige buigzaamheid
Bij het herpositioneren van de patiënt biedt de patiënt eerst weerstand alvorens toe te laten gerepositioneerd te worden, zoals bij het buigen van een kaars.
14. Teruggetrokkenheid
Weigert te eten, te drinken en/of oogcontact te maken.
15. Impulsiviteit
De patiënt vertoont plots onaangepast gedrag (begint bij voorbeeld door de gang te rennen, te roepen of zich uit te kleden) zonder aanleiding of uitlokking. Achteraf kan hiervoor geen of alleen een oppervlakkige verklaring gegeven worden.
16. Automatische gehoorzaamheid
Het in overdreven mate voldoen aan het verzoek van de onderzoek(st)er of het spontaan doorgaan met uitvoeren van de gevraagde beweging.
17. Mitgehen
‘Anglepoise lamp’. De arm wordt opgeheven als reactie op lichte druk door de vinger uitgeoefend, ondanks de instructie om dit niet te doen.
18. Gegenhalten
Weerstand tegen passieve beweging die in verhouding is met de sterkte van de stimulus die zich eerder automatisch dan uit vrije wil voordoet. Dus: hoe meer druk er gegeven wordt, hoe meer (tegen)druk er komt.
19. Ambitendentie
De patiënt lijkt motorisch ‘vast te zitten’ in (een) besluiteloze, aarzelende beweging(en).
20. Grijpreflex
Vast te stellen d.m.v. neurologisch onderzoek.
21. Perseveratie
De patiënt komt herhaaldelijk terug op hetzelfde gespreksonderwerp of volhardt in het uitvoeren van bewegingen.
22. Vijandigheid
Gewoonlijk op een indirecte manier en waarvoor achteraf geen of geen afdoende verklaring gegeven kan worden.
23. Autonome afwijkingen
Kringloop: temperatuur, bloeddruk, hart/polsslag, ademhalingsfrequentie, overmatige transpiratie.
Hidden
Voer uw e-mailadres in om de resultaten per e-mail te ontvangen